Door de Britse BP-baas Tony Hayward te vervangen door een Amerikaan, hoopt BP critici wat wind uit de zeilen te nemen. Bij zijn aantreden in 2007 beloofde Hayward dat veiligheid zijn prioriteit zou worden. Nu wordt hij de meest gehate man van Amerika genoemd.
Eerst moest BP verantwoordelijkheid erkennen voor de grootste olieramp uit de Amerikaanse geschiedenis, als gevolg van onzorgvuldige veiligheidsmaatregelen. Vervolgens was er de ene na de andere blunder van Hayward. Zo noemde hij de vlek gelekte olie tiny, vergeleken met de totale hoeveelheid water in de Golf van Mexico. Hij zei het euvel desalniettemin te willen verhelpen – in zijn eigen belang: „Ik wil mijn leven terug.” Dat krijgt hij waarschijnlijk zeer binnenkort, wanneer BP zijn aftreden bekendmaakt. Het wachten zou zijn op een akkoord over zijn vertrekregeling. Naar verluidt krijgt hij 14 miljoen euro mee.
Als opvolger van Hayward wordt Robert Dudley genoemd, de Amerikaan die bij BP nu verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding in de Golf van Mexico. Zijn komaf – hij groeide op in de getroffen regio – zou de Amerikaanse woede enigszins kunnen temperen, waar de arrogantie van een Brit die enkel aanwakkerde.
In de Verenigde Staten heet BP inmiddels Big Polluter, Big Problem, Bankruptcy Probability. De Amerikaanse president Obama zei dat hij „boos en gefrustreerd” was, en dat hij BP voor de kosten zal laten opdraaien. Na elke negatieve uitspraak van de Amerikaanse president daalden de aandelenkoersen. Bad Publicity, so to say.
In de Britse pers geldt intussen niet BP, maar Obama als de zondebok. Vooral het feit dat de Amerikaanse president sprak van „British Petroleum”, in plaats van BP, zette kwaad bloed. Zo hekelde de Londense burgemeester Boris Johnson, een Conservatieve partijgenoot van premier Cameron, de „anti-Britse retoriek” vanuit de VS. Op blogs wordt Obama opportunisme verweten. Eerst om troepen voor Afghanistan vragen en vervolgens de Britten zo beledigen. Er werken meer Amerikanen voor BP dan Britten, merken commentatoren fijntjes op, en is het percentage Amerikaanse aandeelhouders met 39 procent niet nagenoeg gelijk aan de 40 procent aandelen van Britse investeerders?
De door de olieramp in de Golf van Mexico in opspraak geraakte Brit Tony Hayward treedt af als topman van BP. De officiële aankondiging van zijn vertrek wordt morgen verwacht. Volgens Britse media krijgt Hayward zeker 14 miljoen euro mee.
Hayward deed sinds het begin van de olieramp in april verschillende uitspraken die slecht vielen in de VS. Zo verzuchtte hij op televisie: „Ik wil mijn leven terug”. Een opmerking die vooral verkeerd viel bij de nabestaanden van de elf medewerkers die bij de ontploffing op het olieplatform om het leven kwamen.
Op 18 juni zei de president-commissaris van BP dat Hayward niet langer de leiding zou hebben over de bestrijding van de olieramp omdat „zijn opmerkingen mensen ergeren”.
Ook in de VS zit BP dicht op de politiek. BP en zijn werknemers investeerden de afgelopen twintig jaar meer dan 3,5 miljoen dollar in de campagnes van presidentskandidaten. Daarbovenop spendeert BP jaarlijks miljoenen aan de olielobby. In 2009 was dit bijna 16 miljoen dollar. Tegelijk spekt BP de kas van het Minerals Management System, een organisatie van het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Zaken die boorconcessies uitgeeft en de boorbedrijven ook moet controleren op lenen zonder bkr.
Volgens het Center for Responsive Politics, een onpartijdig bureau dat de politieke cashflow onderzoekt, profiteerde in 2008 toenmalig presidentskandidaat Obama het meest van de ruimhartigheid van BP: zijn campagne kreeg zo’n 77 duizend dollar. En, toeval of niet, in maart van dit jaar kondigde Obama aan dat grote delen van de zeebodem voor de Amerikaanse oostkust werden opengesteld voor de winning van olie. Obama’s besluit werd gezien als een concessie aan de oliemaatschappijen, en als een tegenslag voor milieuorganisaties.
De Britse premier Cameron moet niet alleen de Britse gemoederen bedaren, hij moet ook de zogenoemde ‘speciale relatie’ met de Verenigde Staten behoeden voor averij. Daarom benadrukte hij tijdens zijn bezoek aan Washington, vorige week, dat zijn regering niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het doen en laten van een multinational. Het hoofdkantoor zit weliswaar in Londen, en het olieconcern is lang beschouwd als kroonjuweel van de Britse overheidsbezittingen, maar Londen bezit geen enkel aandeel meer.
Dat BP toch Brits smaakt, komt door de geschiedenis van het bedrijf. Dat verleden gaat terug tot 1901, toen de legendarische Brits-Australische mijnmagnaat William Knox D’Arcy van de sjah van Perzië toestemming kreeg om in het land (het huidige Iran) naar olie te zoeken en die te exploiteren. Kort na de vondst van rijke oliebronnen in 1908 werd de Anglo-Persian Oil Company opgericht. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werd de Britse overheid de grootste aandeelhouder, op instigatie van toenmalig marineleider Winston Churchill die zich wilde verzekeren van stookolie voor zijn oorlogsvloot. Het bedrijf werd al snel liefkozend British Petroleum genoemd.
Ook nadat de toenmalige Britse premier Margaret Thatcher, fervent pleitbezorger van de vrije markt, in de jaren tachtig het meerderheidsaandeel in BP had verkocht, bleven Londen nauw bij BP betrokken. De wederzijdse afhankelijkheid werd haarfijn duidelijk toen BP in de jaren negentig Londen adviseerde een politieke vertegenwoordiging te vestigen in Azerbajdzjan, waar BP naar olie boorde. Londen gaf onmiddellijk gehoor, en nam zelfs intrek in de kantoren van BP. Voormalig BP-baas John Browne zei daarover: „In de ogen van politici komt eerst de vlag, en dan de handel. Maar soms volgt de vlag de handel.”
Onder leiding van de flamboyante Browne groeide BP van een middelgroot bedrijf uit tot een van de grootste oliemaatschappijen ter wereld. De marktwaarde verviervoudigde, aandeelhouders droegen Browne op de schouders, hij werd geridderd en lid van het House of Lords. Browne sprak van milieu en gezondheid en BP begon te adverteren met de leuze ‘Beyond Petroleum’. Maar het bedrijf bleef na de privatisering aanschurken tegen Downing Street. Openlijk ondersteunde Lord Browne toenmalig premier Tony Blair. De personele banden tussen de Labour-regering en BP waren zo nauw dat het bedrijf gekscherend Blair Petroleum werd genoemd.
Met de nieuwe liberaal-conservatieve regering van Cameron lijken de betrekkingen minder warm. De premier toonde de voorbije weken in het openbaar meer begrip voor de gefrustreerde Amerikanen dan voor BP. Hayward ontving hij liever niet op Downing Street. Maar Cameron ziet BP ook niet graag ten onder gaan. Van de tachtigduizend werknemers van BP werken er tienduizend in Groot-Brittannië. Vorig jaar leverde dat de Britse schatkist zo’n zes miljard pond op. Pensioenfondsen hebben voor 18 miljoen Britten belegd in BP. Cameron moet daarbij rekening houden met de politieke sentimenten. Het management van BP is goeddeels samengesteld uit de Britse elite. Zo’n twintig leden van het Britse House of Lords hebben aandelen in BP.
De vraag blijft hoeveel Londen kan doen om BP te steunen. Volgens Stefan Bauchowitz, onderzoeker bij de London School of Economics, kan de Britse regering enkel helpen de reputatieschade van BP te beperken. En volgens Bauchowitz doet Cameron zijn best. „Toen de publieke opinie in de VS zich massaal tegen BP en de Britten begon te keren, zei Cameron: laten we serieus blijven en niet nationalistisch worden. Hij maande Obama zijn toon te matigen, ook in Amerikaans belang.”
Volgens Simon Anhalt, Brits onderzoeker en politiek adviseur op het gebied van nationale reputaties, zit Cameron in een lastig parket. „Hij moet BP beschermen, maar heeft als Britse premier één absolute prioriteit: de relatie met de VS bewaken.” Gelukkig voor Cameron, zegt Anhalt, heeft Obama er ook geen belang bij om het bedrijf te schaden. „Dus als ze allebei met sterke bewoordingen hebben laten zien dat ze besluitvaardig, toegewijd, integer en daadkrachtig zijn, zullen ze samen proberen een oplossing te vinden waarbij de Golf van Mexico baat heeft, en waarbij tegelijk de belangen van BP, die van aandeelhouders in beide landen en het eigen imago in het thuisland zo min mogelijk schade wordt toegebracht.”
Hoe de straf voor BP zal uitpakken is nog ongewis. Het bedrijf, dat vorig jaar een omzet van 246 miljard dollar en een winst van 22 miljard dollar boekte, is al begonnen met de verkoop van onderdelen om geld bij elkaar te krijgen voor de bestrijding van het lek en het dekken van schadeclaims. BP zou daar 20 miljard dollar voor opzij hebben gezet. Volgens analisten kan de totale schade drie keer zo veel gaan bedragen. Morgen maakt BP kwartaalcijfers bekend.
Intussen doet BP er alles aan om het imago op te kalefateren, bleek vorige week uit een verspreide foto van het rampencentrum die zo was bewerkt, met extra televisieschermen, dat het leek of er nóg beter werd opgelet dan het bedrijf al zei te doen. De kosten van een reclamecampagne met paginagrote advertenties in de Angelsaksische kranten die moet overtuigen dat BP de ramp wel degelijk serieus neemt – in tegenstelling tot wat uitspraken van BP-baas Hayward suggereerden – wordt geschat op 50 miljoen dollar. Hayward lijkt nu geofferd. Zijn opvolger, Amerikaan of niet, zal beter op zijn woorden moeten letten.
{ 1 trackback }
{ 0 comments… add one now }